Richard Krajicek

Marjo | 20 juni 2010 | 0 Comments

Maandag begint Wimbledon weer.
Richard Krajicek is tot dusver de enige Nederlander die het meest prestigieuze tennistoernooi ter wereld in het enkelspel won. De ex-tennisser (38) heeft nu een nieuw doel voor ogen: sport verankeren in de politiek. Hij schreef de sportparagraaf in het verkiezingspro­gramma van de VVD. De liberalen trekken per jaar 200 miljoen euro extra uit voor sport.
„Omdat het werkt.”
  Richard Krajicek oogt koel en onverstoorbaar op het terras van het lommerrijke tennis­park in Amersfoort: hoge can­vas gympen, spijkerbroek, bla­zer en pilotenzonnebril. Zijn getalenteerde zoon Alec onderwerpt zich aan een trai­ning van de ervaren Ron Timmermans.
De geschiedenis herhaalt zich op dit punt, Krajicek had zelf ook les van hem.
De dagen van toptennis, successen en bles­sures liggen al weer zeven jaar achter hem.
Krajicek schurkt nu tegen de politiek aan, maar haast zich te zeggen dat hij voorlopig niet beschikbaar is. „Ik ben pas 38.”
Vanzelfsprekend mist Krajicek de politieke ervaring. Ook speelt mee dat hij er wil zijn voor zijn vrouw – ex-fotomodel, schrijfster en presentatrice Daphne Deckers – en hun kinderen Emma (12) en Alec (10). Zijn werkzame bestaan als bestuurslid van de Richard Krajicek Foundation, directeur van het ABN-Amro-tennistoernooi en am­bassadeur van de sportsdesk van de bank waar topsporters terecht kunnen voor fi­nancieel advies, biedt hem de gelegenheid zijn gezin zorg en aandacht te geven.
Hij weet niet alleen veel van topsport, als oprichter van de Richard Krajicek Founda­tion weet hij ook minstens zoveel van de maatschappelijke en sociale betekenis van sport. De stichting legde meer dan zestig sportveldjes aan in aandachtswijken en be­taalt mee aan de kosten van professionele sportleiders die jongeren structuur bieden.
Krajicek oogt in balans, privé en zakelijk door Gijs van Oosten heeft hij vrijwel alles op orde. Als topten­nisser kwam hij stug over, verbrak hij de relatie met zijn vader Petr, maar die band is hersteld. „Tennis was hét probleem tus­sen ons. Hij woont nu in Tsjechië, maar ik spreek hem regelmatig. Vandaag nog. Ik kan erg met hem lachen.”
Met zijn halfzusje Michaëlla, die als prof­tennisster in Florida woont, dateert het laatste contact van anderhalf jaar geleden.
„Michaëlla wil niet dat ik in de media over haar praat. Dus doe ik dat niet.”
De VVD is de politieke partij die bij hem past. Zijn ouders stemden op de liberalen en Krajicek kan er zijn sportboodschap kwijt. Min of meer per ongeluk liet hij in 2008 optekenen dat hij op termijn minis­ter van Sport wil worden. „Die uitspraak is blijven hangen. Nu zeg ik: ik vind het be­langrijk dat er een ministerie van Sport komt. Ik wil daar energie in steken. Het is niet belangrijk dat ik minister word, een rol als adviseur zou ik ook goed vinden.”
Via de voormalige Amsterdamse en Haag­se wethouder Frits Huffnagel kwam Kraji­cek in contact met de VVD. „Ik schreef ooit zes kantjes vol met argumenten voor een ministerie van Sport. Een samenvat­ting daarvan is in het verkiezingsprogram­ma gekomen. De sportparagraaf komt uit mijn koker. De VVD toont als enige partij met een extra investering van 200 miljoen euro per jaar commitment, bovenop het hui­dige bedrag van 144 miljoen. Dat vind ik echt een sterk punt. Geld is de kurk waar­op het beleid drijft. Van die extra investe­ring gaat driekwart naar breedtesport en een kwart naar topsport.”
Toch ziet het er niet naar uit dat er een mi­nisterie van Sport komt. „De VVD streeft naar een kleiner ambtenarenapparaat en daarbij hoort een lager aantal ministeries.
Maar de VVD omarmt mijn standpunt om sport te verankeren in de politiek. Ik vind sport net zo belangrijk als kunst en cul­tuur, die sterk vertegenwoordigd zijn in de politiek. Dat is goed, dat moet zo blijven.
Maar ik vind dat sport ook een stevige posi­tie moet hebben. Daar zet ik me voor in.
Een minister van Sport is er niet om er voor te zorgen dat we als land zoveel mo­gelijk medailles winnen. Sport levert op drie hoofdpunten een positieve bijdrage aan de samenleving: nationale trots, ge­zondheid en oplossing voor sociale vraag­stukken. De strijd tegen overgewicht en de sociale kant zijn in mijn ogen echt belang­rijk. Ik steun ook het Olympisch Plan 2028, al moet ik me daar inhoudelijk nog in ver­diepen. De opdracht is Nederland op een olympisch niveau te brengen. Dat gaat ver­der dan alleen een topsportcultuur. De he­le infrastructuur moet mee. Ik leg in dat verband vaak uit dat de Noord-Zuidlijn wordt aangelegd van 1928 tot 2028.” Het is zijn onderkoelde humor. „Amsterdam bouwt ’m voor de Olympische Spelen.”
Krajicek gaf voor 1996, zoals veel Nederlan­ders, geld aan goede doelen. Na zijn zege op Wimbledon in dat jaar zag hij dat hij als topsporter meer kon betekenen. Hij werd door een organisatie van Arthur As­he, de in 1993 aan de gevolgen van aids overleden Amerikaanse tennisser, ge­vraagd voor de US Open een clinic aan kin­deren te geven in New York. Het beviel, zoiets wilde Krajicek ook doen in zijn toen­malige woonplaats Den Haag. Hij wilde geen rijtoer of huldiging, wel wilde hij als Wimbledon-kampioen de wijk in en iets voor kinderen doen. Het was de aanzet tot de Richard Krajicek Foundation, die hij met John en Rodger Linse een jaar later op­richtte. „Wij hadden het vroeger niet breed thuis, maar ik kon altijd sporten. Ik kwam in aanraking met kinderen voor wie sport niet zo vanzelfsprekend was. Sprak de ouders, voor wie het financieel moeilijk was hun kinderen te laten sporten. Ze wa­ren bezig met basisbehoeften als eten, huis­vesting, medische zorg, scholing. Sportdeel­name hoorde daar niet bij. Die problema­tiek raakte me, ik voelde dat ik iets voor die kinderen moest doen. Zij moesten ook kunnen sporten, net als ik vroeger.”
Krajicek werd verder aan het denken gezet door onderzoeksgegevens. In de Haagse Schilderswijk was de sportdeelname van kinderen slechts 20 procent. Het landelijk gemiddelde lag op 60 procent en in een an­dere Haagse wijk, de Vogelwijk, lag het per­centage op 80 procent. „Dat vond ik raar.
Om die reden ben ik begonnen met straat­tennisprojecten in aandachtswijken. Het openen van een sportveldje in een wijk heeft een grote sociale impact. Het was in­drukwekkend te zien hoe een hele buurt via de sport tot leven komt.”
Krajicek vertelt graag het verhaal van Tine Slager, die in 1997 in Amsterdam Zuid­Oost twee jongens zag tennissen op een as­faltbaan. Ze speelden met een racket met kapotte bespanning en met versleten bal­len. Slager bood aan les te geven. Er kwa­men in een paar weken tijd tientallen kin­deren op af. De Richard Krajicek Founda­tion opende er in 2005 een playground (tennis, basketbal en voetbal). Tine Slager is er de betaalde sportleider. „Met het aan­leggen van sportvelden ben je er nog niet”, vertelt Krajicek. „Er moest ook een betaal­de begeleider zijn. De sociale kansen en mogelijkheden zijn pure winst. Veel kinde­ren hebben rolmodellen. Dat kan Robin van Persie zijn of Clarence Seedorf. Maar er komt een moment, als ze een jaar of 15 zijn, dat ze beseffen dat ze het als topvoet­baller niet redden. Dat kan demotiveren.
Maar een rolmodel in de buurt, de sportlei­der op de playground, dat is wel haalbaar.
Wij bieden via onze playgrounds gemoti­veerde jongeren een scholarship aan voor een opleiding of een stageplaats, waardoor ze zelfs toegang tot een baan krijgen.”
Onlangs is een wetenschappelijk rapport van de Universiteit Utrecht gepresenteerd.
Onder leiding van professor Paul Verweel zijn de effecten van de Krajicek Play­grounds op de sociale cohesie in stadswij­ken onderzocht. Het driejarige onderzoek toont aan dat de playgrounds etnische ver­schillen verkleinen en sociale binding ver­groten. Sportleiders hebben een belangrij­ke rol als ‘tussenpersoon’. Professor Ver­weel bekleedt tot 2012 de Krajicek Leer­stoel aan de Universiteit Utrecht. Het we­tenschappelijk onderzoek naar de maat­schappelijke betekenis van sport wordt voor een half miljoen euro gefinancierd door onder meer de Krajicek Foundation.
Krajicek: „We wilden eerst onderzocht hebben of het klopt wat we zeggen. Het antwoord is ‘ja’. Het onderzoek maakt de resultaten meetbaar. Het verdere onder­zoek is mede gericht op de vraag hoe we het sociale kapitaal in de wijk kunnen vin­den en aanspreken.”
Krajicek geeft uit zichzelf aan dat hij de be­tekenis van termen als sociaal kapitaal – de steun en bescherming die groepsrelaties bieden – moest leren. Hij toont zich als ex­sporter zeer betrokken bij maatschappelij­ke kwesties en werkt daarin samen met de Johan Cruyff Foundation. „Tijdens en na mijn carrière kwamen er dingen op mijn pad, het gaat erom kansen te herkennen.
Toen ik eenmaal met de sportveldjes bezig was, herkende ik het pas als een kans. Ik had dit in me, ik ben door deze problema­tiek geraakt en ben er enthousiast voor ge­maakt. De volgende stap voor mij is om sport hoger op de politieke agenda te krij­gen. Erica Terpstra heeft wat dat betreft al veel baanbrekend werk gedaan, eerst als staatssecretaris en later als voorzitter van NOCNSF. Zonder Erica had ik die 200 mil­joen extra nooit voor elkaar gekregen.”

Bron: Eindhovens Daglbad

Tags: ,

Category: Nieuws

Comments are closed.